Columns

De Koning van Wezel
Het doel en de middelen

Auteur Jan Ruigrok
Datum 01/11/2011

Het doel en de middelen

‘Jongens, meisjes’, zegt mentor Astrid, ‘ik zit met het volgende. Ik werk alleen met leuke mensen die over een flink aantal kwaliteiten beschikken. Nu ken ik je jullie nog allesbehalve goed, dus daar moeten we wat aan doen. Hier ligt een stapel ansichtkaarten. Zoek er een uit die je mooi vindt, of waarvan je vindt dat die bij je past. Schrijf je naam er op en daarbij iets dat aan drie eisen voldoet:

1- Het is iets waar je goed in bent;
2- Je vindt het leuk vindt om te doen en
3- Anderen genieten ervan als je het doet.

Als je dat gedaan hebt, stop je de kaart hierin.’ Astrid laat een doorzichtig plastic ‘gordijn’ zien waar de leerlingen hun kaarten in kunnen steken. Op de ene kant de afbeelding, op de andere het resultaat van de opdracht. Ze merkt dat het niet voor alle leerlingen even makkelijk is iets te bedenken maar Astrid neemt geen genoegen met een ‘dat weet ik niet’. ‘Als je het echt niet weet mag je het klasgenoten, vrienden of vrienden, je ouders of je opa’s en oma’s vragen; er is altijd iemand die een kwaliteit van je weet.’ Eens was een leerling voor antwoord bij haar paard te rade gegaan. Samen met Astrid besloot ze ‘paardenfluisteraar’ op de kaart te schrijven.

In de loop van het jaar bekijkt Astrid de kaarten en vraagt ze haar leerlingen dat wat op de kaart staat in praktijk te brengen. Jerryl, speelt goed gitaar en wordt gevraagd een les met een solo te beginnen; aan de gymleraar vraagt ze of hij Ella een volleyballes wil laten verzorgen. In principe komt iedereen aan de beurt, maar soms krijgt een leerling net wat meer aandacht. Bijvoorbeeld wanneer hij door zijn gedrag extra aandacht vraagt; of juist wanneer hij zich, soms om onbekende redenen, terugtrekt.
‘Zo’n leerling die aandacht vraagt, doet dat vaak op een onhandige manier’, zegt Astrid; ‘Soms verstoort hij de les of soms loopt hij iedere keer weer tegen straf op. Op deze manier krijgt hij zijn aandacht, en heeft iedereen er plezier in. Een stille leerling heeft er natuurlijk net zo’n behoefte aan om gezien te worden als anderen. Alleen weet die vaak niet hoe je dat kunt bereiken. En daar help ik dan een handje bij.
Wanneer een leerling zich misdraagt, gebruik ik die kaarten vaak om hem voor een keuze te zetten. Ik vertel dan dat wat hij heeft gedaan niet kan en dat ik daar hoe dan ook op ga reageren. In de manier waarop ik dat ga doen, heeft hij invloed: ‘Je kunt kiezen voor straf, of je kunt wat er op je kaart staat uitvoeren.’ Dat pas ik dan zo aan dat het past bij de aard van de overtreding’.

‘Toen ik er mee begon',  vertelt Astrid, 'stonden mijn collega’s wel raar te kijken. Zij zagen dat een leerling na wangedrag iets deed wat hij leuk vond en waar zijn medeleerlingen van genoten. Zo’n leerling knapte helemaal op. ‘Je beloont een leerling, die zich misdraagt’, zeiden ze. Volgens mij is het maar net wat je wilt. Als je wilt dat leerlingen na wangedrag pijn voelen, dan heb je gelijk. Alleen is het zo jammer dat je er weinig mee opschiet. Het gedrag wordt er niet minder vervelend om; hooguit gaan ze het slimmer en stiekemmer spelen. Nu kijk ik naar de behoefte achter dat vervelende gedrag en zoek ik een manier om het doel, het bevredigen van die behoefte, te bereiken. De extra inspanning die ze leveren noem ik geen straf, maar een ‘sanctie’. Dat woord komt van sanctus en dat betekent heiligen. Als je straf geeft dan heiligt het doel de middelen; ik draai het om: bij sanctie heiligt het middel het doel en dat is dat alle leerlingen zich goed voelen.‘

Voor meer De Koning van Wezel columns ga naar: Publicaties > Columns