Columns

De Koning van Wezel
De wet van Meester Beernink

Auteur Jan Ruigrok
Datum 24/11/2015

De wet van Meester Beernink

Passend onderwijs drijft mij menig avondje van huis en haard om te onderzoeken of het ouders en leerkrachten gaat lukken om op een voor iedereen draagbare manier met alle verschillen in de klas om te gaan. En reken maar dat het pittige avonden zijn. Ouders komen op voor wat voor hen het belangrijkst is in hun leven: hun kind. Leerkrachten voelen zich in hun professionaliteit bedreigt en zijn ronduit bang als de ouderlijke toorn over hen dreigt neer te dalen.
Voordat we samen in een lokaal zitten is er vaak al het een en ander voorgevallen. Niet zelden zijn er briesende ouders lokalen binnen gestormd om verhaal te halen. Soms ook wijst een ouder na een doorwaakte nacht om half negen ’s ochtends met een priemende vinger naar de leerkracht: ‘Jou moet ik spreken vanmiddag!’. Een uitnodiging die de rust in het hoofd van de leerkracht en daarmee de kwaliteit van de les meestal niet ten goede komt.

Sinds ik die avonden start met de Wet van meester Beernink verlopen ze beter en staan mensen vaker naast dan tegenover elkaar.
De feiten die geleid hebben tot de Wet van Meester Beernink, deden zich voor in 1964. In de vijfde zat ik bij hem in de klas en ik was ronduit een ettertje. Voortdurend zat ik te klieren, mijn cijfers waren rampzalig en ook buiten de les klopte er weinig van. Ik drukte belletje bij Meester Beernink en propte rotzooi door zijn brievenbus. En als hij de dag erna vriendelijk vroeg of ik dat niet meer wilde doen, wist ik me van narigheid geen raad. Eigenlijk gek, Meester Beernink was een aardige man en mijn klasgenoten vonden het een prima meester. Vriendjes had ik weinig dat jaar. Een eenzaam desperadootje van 11 jaar.
De sleutel tot mijn wanhopige rebellie was een incident dat zich een jaar of vijftien eerder had voorgedaan. Mijn ome André had op school een aantal tikken gekregen van het toen nog jonge meestertje Beernink en dat had ertoe geleid dat opa verhaal was gaan halen waarbij het er meer dan stevig aan was toegegaan. Hoewel de details me altijd zijn onthouden, stond in onze familieanalen Meester Beernink sindsdien te boek als verpersoonlijking van het Kwaad.
Toen jaren later mijn moeder hoorde dat haar liefste zoon in de klas zou komen bij het Kwaad sloegen alle alarmbellen op tilt. Doodsbang was ze dat haar zoontje hetzelfde zou overkomen als haar broertje André en met een liefdevol moederhart, waarschuwde zij mij tegen het Kwaad en liet zij niets achterwege om voor mij op te komen als daar ook maar de minste aanleiding toe was. Ik zie haar nog met kordate stappen en rood hoofd de school instappen om met het Hoofd en Meester Beernink het kantoor in te duiken. ‘We gaan naar huis’, zei ze na afloop van het gesprek, toen ze me naar huis trok, ver weg van de narigheid.
En ik? Als braaf jongetje luisterde ik naar mijn moeder en gedroeg ik me zoals iemand die zich gedraagt bij mensen die niet deugen: niet-deugend, angstig, onvoorspelbaar, op mijn hoede en stiekem. Maar mijn moeder bleef ik trouw, dat wel!
De wet van Meester Beernink is simpel: stuur je kind naar school met de boodschap dat de Meester niet deugt en hij gedraagt zich als deugniet.

Jan Ruigrok

Voor meer De Koning van Wezel columns ga naar: Publicaties > Columns