Columns

De Koning van Wezel
De avonturen van Koos Kwast. Een sprookje in twee werelden

Auteur Jan Ruigrok
Datum 02/11/2012

Lang geleden, leefde er niet eens zo heel ver hier vandaan een wijze koning die het beste met zijn land en haar bewoners voor had. Om in zijn land het geluk voor een ieder te waarborgen, vaardigde hij regels en wetten uit waaraan iedereen geacht werd zich te houden.
De wetten deden hun heilzame werk tot op een dag bakker Titus Timp bij de koning zijn beklag kwam doen. Koos Kwast, een armlastige schilder, had een brood gestolen en daarmee de wetten geschonden. De koning liet zich een blinddoek voorbinden, legde een hamer naast zich neer en nodigde Titus uit zijn verhaal te doen, waarna Koos ruimte kreeg voor dat van hem. Toen de koning zijn blinddoek afdeed om zijn hamer te pakken die hij nodig had voor de uitspraak, zag hij tot zijn verbazing Titus Timp nog in de raadszaal zitten.
‘Wat doe jij hier nog?’, vroeg de koning.
‘Wachten. Op de uitspraak en op het antwoord op de vraag hoe mij recht wordt gedaan’, antwoordde Titus.
‘Dan heb je het niet helemaal begrepen Titus’, sprak de koning; ‘het gaat om de vraag of Koos mijn wetten heeft geschonden en dus is het een conflict tussen mij en Koos. Jij hebt je betekenis gehad en staat hier verder buiten. Je wordt bedankt voor de melding en je bijdrage aan het welzijn van je land. In de kantine wacht een warme maaltijd en daar kun je je reiskostenvergoeding ophalen. Daar wilde ik het bij laten en ik vraag  je nu toch echt de zaal te verlaten’.
Met gebogen hoofd en achteruitlopend, zoals de wetten voorschreven, verliet Titus de zaal en daarmee dit verhaal. Het gerucht gaat dat de onvrede die in hem achterbleef, uiteindelijk leidde tot handelingen die misschien begrijpelijk, maar niet te rechtvaardigen waren.

Koos Kwast, schenner van de wetten werd voor dertig jaar verbannen naar de koloniën. ‘Want hoe je het ook went of keert, Koos’, sprak de koning bij zijn vonnis, ‘mensen verliezen hun betekenis als ze zich niet aan de wetten houden. Voor jou een ander.’
De dag na de uitspraak keek Koos vanaf van het dek van het schip dat hem naar de koloniën zou brengen naar de kleine Kwastjes die op de kade afscheid namen van hun vader en leermeester. Vertwijfeld vroegen zij zich af voor wie zij moesten kiezen. Voor hun vader en leermeester van wie zij zoveel geleerd en ontvangen hadden, of voor de koning die het beste met zijn land en het volk voor had? Een aantal koos voor Koos en het gerucht gaat dat zij later vanuit die keuze tot daden kwamen die misschien wel te begrijpen, maar niet te rechtvaardigen waren. Anderen kozen voor de koning en het gerucht gaat dat zij later vanuit die keuze tot daden kwamen die misschien wel te begrijpen, maar niet te rechtvaardigen waren. Een aantal kon niet kiezen en kwam nergens meer toe. En wat dat is…?

Koos overleefde de barre reis en kwam na maanden aan in de koloniën waar hij al snel in een stam werd opgenomen. Niet uit liefde of meelij, maar meer uit eigenbelang. De stamleden hadden goed in de gaten hoe prachtig Koos kon schilderen en binnen de kortste keren was er in het dorp geen woning te vinden waar niet een originele Kwast aan de muur hing. Koos schilderde er op los waarvoor hij in ruil veiligheid, voedsel en een mooi huis ontving. En al vrij snel rende ook hier een aantal kleine Kwastjes rond.
Maar zoals te vaak herhaalde zich ook hier de geschiedenis en op een kwade dag stal Koos een brood van bakker Tino Timpo. Briesend van woede en vergezeld van de stamoudste kwam Tino de volgende dag verhaal halen bij Koos.
Nadat hij hem had laten uitrazen, nam de dorpsoudste het woord. ‘Koos’, zei hij, ‘je hebt de boel hier aardig op zijn kop gezet. Dat we wat moeten doen staat buiten kijf, maar jou het dorp uit zetten, is een van de minste opties. Voor jou niet; je wordt binnen de kortste keren door de wilde beesten opgevreten. En wij worden er ook niet beter van. Je mag dan gestolen hebben, die schilderijen van je zijn er niet minder om en ik zie alle gehakketak al voor me. De ene helft wil alle schilderijen en herinneringen aan jou op de brandstapel; de andere wil ze laten hangen omdat daar mensen op staan van wie ze veel houden. Weet je wat de ellende is Koos? Mensen houden hun betekenis, ook al doen ze rare dingen. Voor jou geen ander. En dan zitten we daarbij ook nog eens met die kleine Kwastenhouderij van jou. Als we ze met jou het bos in sturen worden ze opgevreten. Maar als wij ze hier houden hebben wij er een enorme klus bij. En ik zou niet raar staan te kijken als ze later uit verbittering tot daden komen die misschien wel te begrijpen, maar niet te rechtvaardigen zijn.
Morgen gaan we met zijn allen kijken wat ons staat te doen en als je wilt kunnen jij en je Kwastenhouderij aanschuiven.
’s Anderendaags kwamen de stamleden samen en bespraken de kwestie Kwast. De woede was groot. Niet in het minst van de kleine Kwasten. Laaiend waren ze op hun vader en leermeester. Hoe had die zo stom kunnen zijn om zijn bestaan en dat van hen in gevaar te brengen? Verraden voelden ze zich. Bovenal de heftige emoties van de kleine Kwasten brachten bij Koos een gevoel teweeg dat hij nog niet gekend had en waarvan hij later zou leren dat het Schaamte heette. Vertwijfeld en rood van schaamte vroeg hij wat hij kon doen om weer normaal stamlid te worden en dat verschrikkelijke gevoel achter zich te laten. Het was een vraag die een brede glimlach op het gezicht van bakker Tino Timpo toverde. ‘Ik heb wel een idee’, zei hij. ‘Eigenlijk heb ik altijd al een portret van mezelf en mijn vrouw in mijn winkel willen hebben. En dan met daarboven de slagzin ‘Brood van Timpo, wie doet er geen misdaad voor?’
‘Ho, ho', zeiden de stamleden.' En wij dan? Ons dorp is door al dat stelen onveiliger geworden. Er is gewoon een rotsfeer en je kunt niemand meer vertrouwen. Dat gelazer met die buitenlanders…’
‘Nou’ zei Tino, 'dan maakt die een groot schilderij met mijn hele klantenkring erop, En dat zijn we allemaal dus. Lijkt me mooi.’
Maar dat ging Koos te ver: ‘Daar ben ik maanden mee bezig en mijn werk mag wel een beetje in verhouding tot mijn misdrijf staan, dacht ik zo.’
‘Hé pa, dan helpen wij toch’, riepen de kleine Kwastjes. ‘Wij kunnen onderhand een aardige kwast roeren, zo helpen we jou, leren we tegen de klippen op en hangt er straks een schilderij uit de school van Kwast in het dorp.’
Een ieder kon zich vinden in dit plan en een half jaar later onthulde de vrouw van de dorpsoudste een schilderij dat uiteindelijk een omvang van zes bij vier meter had gekregen. Wie goed keek ontdekte er zelfs een zelfportretje van Koos in.
Zoals het sprookjes betaamt, leefde iedereen nog lang en gelukkig. Ook Koos, net zolang tot hij voor de keus stond: hier blijven of teruggaan?

Voor meer De Koning van Wezel columns ga naar: Publicaties > Columns